Gerechtshof in Amsterdam veroordeelt 36-jarige man uit Medemblik tot drie jaar cel voor seksueel misbruik van drie achternichtjes.
MEDEMBLIK – Het gerechtshof in Amsterdam heeft een 36-jarige man uit Medemblik veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, voor het jarenlang seksueel misbruiken van zijn drie minderjarige achternichtjes. De meisjes waren bij het begin van het misbruik negen, twaalf en dertien jaar oud. De straf is twee keer zo hoog als de gevangenisstraf die de rechtbank in december 2024 oplegde.
Volgens het hof heeft de man zich tussen 2016 en 2020 schuldig gemaakt aan ernstige seksuele misdrijven tegen de drie meisjes, die destijds in Hoogkarspel woonden.
De rechtbank veroordeelde de Medemblikker op 3 december 2024 tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie ging tegen dat vonnis in hoger beroep.
Het OM vond de oorspronkelijke straf veel te laag en eiste opnieuw veertig maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk. Het hof kwam uiteindelijk tot een straf van drie jaar, met aftrek van het voorarrest.
Bijzondere vertrouwensband ernstig geschonden
Het gerechtshof rekent het de man zwaar aan dat hij misbruik maakte van de bijzondere vertrouwensband die hij als achterneef met de drie meisjes had opgebouwd.
De slachtoffers kenden hem goed en vertrouwden hem. De man kwam regelmatig bij het gezin thuis en bracht de jongere kinderen onder meer naar bed.
Juist in die vertrouwde omgeving vonden volgens het hof de strafbare feiten plaats. Het misbruik gebeurde onder andere op de slaapkamers van de meisjes, waar kinderen zich veilig moeten kunnen voelen.
Het hof benadrukt dat de verdachte met zijn handelen ernstig inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van de slachtoffers. Volgens de rechters hebben de gebeurtenissen een grote en langdurige impact op hun leven gehad.
Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat zij nog altijd de gevolgen van het misbruik ondervinden.
Ontkenning van misbruik twee jongste meisjes
Tijdens de behandeling van het hoger beroep op 7 juli 2026 bleef de verdachte ontkennen dat hij de twee jongste meisjes seksueel had misbruikt.
Over zijn oudste achternicht verklaarde hij dat sprake was geweest van een vriendschappelijke relatie die uiteindelijk een seksueel karakter kreeg. Volgens hem begonnen de seksuele handelingen pas toen zij vijftien jaar oud was.
Het meisje verklaarde echter dat het misbruik al begon toen zij dertien was. De man was destijds 26 jaar oud.
Tijdens de rechtszaak wees zij de suggestie dat sprake was van een vrijwillige relatie nadrukkelijk van de hand. Volgens haar was er geen sprake van een relatie, maar van seksueel misbruik.
Het hof volgt de lezing van de verdachte niet. De rechters achten bewezen dat de seksuele handelingen al begonnen toen het oudste slachtoffer dertien jaar oud was.
Aangiftes na gesprekken met hulpverlening
De zaak kwam in het najaar van 2022 aan het licht. De twee jongste meisjes hadden met hun gezinshulp gesproken over wat hun was overkomen en stapten vervolgens naar de politie.
Ook de oudste zus deed aangifte. Zij verklaarde dat het seksueel misbruik al in 2016 was begonnen.
Volgens de aangiftes kwam de man regelmatig bij het gezin in Hoogkarspel over de vloer. Hij ging met de jongere kinderen naar boven wanneer zij naar bed moesten.
De meisjes beschreven afzonderlijk wat zich tijdens die bezoeken had afgespeeld. Hun verklaringen vormden een belangrijk onderdeel van het strafrechtelijke onderzoek.
Verklaringen slachtoffers betrouwbaar
De verdediging betoogde in hoger beroep dat de verklaringen van de twee jongste slachtoffers onvoldoende betrouwbaar waren en dat ondersteunend bewijs ontbrak.
Het gerechtshof verwierp dat verweer.
Volgens de rechters hebben de meisjes gedetailleerd, consistent en genuanceerd verklaard. Zij beschreven niet alleen wat hun was overkomen, maar maakten ook onderscheid tussen gebeurtenissen die wel en niet hadden plaatsgevonden.
Dat de zussen voorafgaand aan hun aangiftes met elkaar hadden gesproken, betekent volgens het hof niet dat hun verklaringen daardoor waren beïnvloed.
Bovendien vonden de verklaringen steun in andere bewijsmiddelen. Zo verklaarde een broer dat hij had gezien hoe de verdachte twee van zijn zussen ongepast aanraakte.
Ook onderdelen van de eigen verklaring van de verdachte bevestigden dat hij regelmatig bij het gezin thuis kwam en met de kinderen naar hun slaapkamers ging.
Hof komt tot zwaardere bewezenverklaring
Het gerechtshof komt op een belangrijk onderdeel tot een andere conclusie dan de rechtbank.
Bij het jongste slachtoffer, dat bij het begin van het misbruik negen jaar oud was, acht het hof ook het zwaarder ten laste gelegde seksuele binnendringen bewezen.
De rechtbank had de man voor dat onderdeel eerder vrijgesproken en alleen de minder zware beschuldiging bewezen verklaard.
Volgens het hof valt ook de vastgestelde seksuele aanraking onder het juridische begrip seksueel binnendringen zoals dat in de destijds geldende strafwetgeving werd toegepast.
Daarmee acht het hof bij alle drie de slachtoffers de zwaardere ten laste gelegde seksuele handelingen bewezen.
Openbaar Ministerie wilde hogere straf
Het Openbaar Ministerie had zowel bij de rechtbank als in hoger beroep aangedrongen op een langdurige gevangenisstraf.
In hoger beroep eiste de advocaat-generaal veertig maanden cel, waarvan tien maanden voorwaardelijk.
Het hof oordeelt dat de eerdere straf van achttien maanden onvoldoende recht deed aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Bij de strafoplegging hield het hof rekening met het langdurige karakter van het misbruik, de jonge leeftijd van de slachtoffers en het geschonden vertrouwen binnen de familie.
Tegelijkertijd woog mee dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk was veroordeeld en na de bewezenverklaarde feiten niet opnieuw van strafbare feiten werd verdacht.
Het hof acht uiteindelijk 36 maanden gevangenisstraf, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, passend.
Verplichte behandeling en contactverbod
Aan het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf is een proeftijd van twee jaar verbonden.
Gedurende die periode moet de Medemblikker zich melden bij de reclassering en meewerken aan een ambulante behandeling bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.
Daarnaast mag hij geen contact opnemen met de drie slachtoffers.
Het hof vindt begeleiding en behandeling noodzakelijk om de kans op herhaling te beperken.
Wanneer de man tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt of de bijzondere voorwaarden overtreedt, kan de rechter bepalen dat hij ook de twaalf voorwaardelijke maanden moet uitzitten.
Slachtoffers krijgen schadevergoeding
Het gerechtshof heeft ook beslist over de schadevergoedingen die door twee van de slachtoffers waren gevorderd.
Een van hen krijgt 17.500 euro aan immateriële schadevergoeding toegewezen. Aan een ander slachtoffer moet de verdachte 7.500 euro betalen.
Beide bedragen worden verhoogd met de wettelijke rente.
In totaal gaat het om 25.000 euro aan toegewezen schadevergoedingen, exclusief rente. Het hof heeft daarnaast schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zodat de bedragen ook via de Staat kunnen worden geïnd.
Uitspraak maakt eerdere veroordeling ongedaan
Met de uitspraak vernietigt het gerechtshof het vonnis van de rechtbank van 3 december 2024 en doet het opnieuw recht.
De opgelegde gevangenisstraf is daarmee verdubbeld van achttien naar 36 maanden. Ook het onvoorwaardelijke gedeelte is verdubbeld, van twaalf naar 24 maanden.
De uitspraak betekent dat het hof de drie meisjes op de belangrijkste onderdelen in hun verklaringen volgt en de ontkenningen van de verdachte verwerpt.
Het arrest is op 6 oktober 2026 gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:GHAMS:2026:2861.
Deel dit artikel:












