Nieuwbouwwoningen waarbij gemeenten eigen inwoners voorrang willen geven
MEDEMBLIK – Gemeenten die schaarse woningen bij voorkeur aan eigen inwoners willen toewijzen, bewegen binnen nauwe juridische grenzen. Sinds 1 januari 2024 geeft de Nederlandse Huisvestingswet gemeenten juist meer ruimte om woningzoekenden met een lokale, maatschappelijke of economische binding voorrang te geven. Maar die mogelijkheid is niet onbeperkt. Europese regels over vrij verkeer, gelijke behandeling en vestiging verhinderen dat gemeenten hun woningmarkt simpelweg afsluiten voor mensen van buiten.
Geen gemeentelijke huisvestingswet, maar huisvestingsverordening
Gemeenten voeren juridisch gezien geen eigen ‘huisvestingswet’ in. De landelijke Huisvestingswet 2014 biedt gemeenteraden de mogelijkheid om via een huisvestingsverordening regels te stellen voor de verdeling van schaarse woningen.
Sinds de wetswijziging van 1 januari 2024 zijn die mogelijkheden verruimd. Gemeenten mogen bij maximaal 50 procent van bepaalde aangewezen woningen voorrang verlenen aan woningzoekenden met een economische, maatschappelijke of lokale binding. Binnen die ruimte kan een gemeente de volledige 50 procent gebruiken voor mensen met een binding aan de eigen gemeente of een deel daarvan. Voorheen was lokale voorrang in veel gevallen tot 25 procent van het totale aanbod beperkt.
De regeling kan niet zomaar op iedere woning in een gemeente worden toegepast. Een gemeente moet de inzet van een huisvestingsverordening onderbouwen, onder meer vanuit schaarste en de onevenwichtige gevolgen daarvan. De precieze toepassing verschilt daardoor per gemeente.
Eigen inwoners kregen vanaf 2024 juist meer kansen
De Nederlandse wetgever koos bewust voor meer lokaal maatwerk. Het kabinet stelde bij de invoering dat jongeren en gezinnen meer mogelijkheden moeten krijgen om in de gemeente te blijven wonen waar zij zijn opgegroeid. Ook ouderen die vanwege bijvoorbeeld mantelzorg in hun eigen omgeving willen blijven en werknemers met cruciale beroepen kunnen voordeel krijgen van lokale voorrangsregels.
Daarbij gaat het niet uitsluitend om huidige inwoners. Economische binding kan bijvoorbeeld bestaan doordat iemand voor zijn inkomen duurzaam in een gemeente werkt. Maatschappelijke binding kan voortkomen uit een langdurig woonverleden of een andere aantoonbare relatie met de plaatselijke samenleving.
Onder de Huisvestingswet geldt voor maatschappelijke binding onder meer dat iemand ten minste zes jaar onafgebroken in het betrokken gebied woont, of daar gedurende de voorafgaande tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken heeft gewoond.
Maar Brussel stelt duidelijke grens
Juist daar ontstaat de spanning met Europees recht. EU-burgers hebben rechten op vrij verkeer en, afhankelijk van hun situatie, vrij verkeer van werknemers, vestiging en kapitaal. Nationale of lokale regels die het voor mensen uit andere lidstaten aanzienlijk moeilijker maken om ergens een woning te kopen of huren, kunnen die Europese vrijheden beperken.
Dat betekent echter niet dat de Europese Unie iedere vorm van voorrang voor eigen inwoners verbiedt. Een lokale voorrangsregeling kan onder voorwaarden gerechtvaardigd zijn. De overheid moet dan een legitiem algemeen belang kunnen aantonen en de maatregel moet noodzakelijk, geschikt en evenredig zijn.
Een volledige afsluiting van de lokale woningmarkt voor buitenstaanders gaat veel verder en is juridisch aanzienlijk moeilijker te verdedigen.
Europees Hof zette eerder streep door Vlaamse regeling
Een belangrijke Europese uitspraak hierover dateert uit 2013. In de zaken Libert e.a. tegen de Vlaamse regering onderzocht het Hof van Justitie een Vlaamse regeling waarbij de overdracht van bepaalde woningen en grond afhankelijk was gemaakt van een ‘voldoende band’ met de betrokken gemeente.
Het Europese Hof oordeelde dat zo’n verplichting verschillende fundamentele Europese vrijheden beperkte. Het Hof erkende tegelijkertijd dat sociale huisvestingsdoelen, zoals het beschikbaar houden van voldoende woningen voor inwoners met lage inkomens of andere kwetsbare groepen, een zwaarwegend algemeen belang kunnen vormen. De concrete beperking moet dan wel daadwerkelijk gerechtvaardigd en proportioneel zijn.
Het juridische verschil is belangrijk. Lokale inwoners een beperkte voorsprong geven kan, maar een woning feitelijk onbereikbaar maken voor iedereen zonder plaatselijke band kan strijd opleveren met Europees recht.
Raad van State waarschuwde Nederland al
Ook vóór de Nederlandse wetswijziging waarschuwde de Raad van State voor deze spanning. De Afdeling advisering vond de beperking van de vrijheid van vestiging en de gevolgen voor het gelijkheidsbeginsel aanvankelijk onvoldoende onderbouwd.
De regering moest volgens de Raad van State beter uitleggen waarom extra lokale voorrang noodzakelijk, geschikt en proportioneel was. Daarbij moest niet alleen worden gekeken naar inwoners die van de regeling profiteren, maar ook naar woningzoekenden die juist minder kans krijgen omdat zij geen lokale binding hebben.
De Raad van State wees bovendien expliciet op het Europese recht. Lokale bindingseisen raken volgens het advies onder meer het vrije verkeer van werknemers, het recht van vestiging en Europese regels over gelijke behandeling bij huisvesting.
De regering vulde de toelichting vervolgens aan en hield het landelijke maximum in beginsel op 50 procent. Volgens het kabinet zou een percentage boven de 50 procent een te zware aantasting van de vrijheid van vestiging betekenen.
Minimaal deel woningmarkt moet open blijven
De Nederlandse constructie is dus bewust opgezet als compromis. Gemeenten krijgen mogelijkheden om eigen inwoners te helpen, terwijl tegelijkertijd een aanzienlijk deel van het woningaanbod niet uitsluitend op lokale binding mag worden verdeeld.
In de praktijk betekent dit bij de reguliere regeling dat maximaal 50 procent van aangewezen categorieën via economische of maatschappelijke binding met voorrang kan worden verdeeld. De overige woningen blijven in beginsel bereikbaar voor woningzoekenden zonder die lokale binding. Er bestaan bijzondere uitzonderingen voor gemeenten die door ruimtelijke regels nauwelijks mogelijkheden hebben hun woningvoorraad uit te breiden.
Amsterdam schrijft bijvoorbeeld expliciet in zijn huisvestingsverordening dat de grens van 50 procent mede het Europese beginsel van vrije vestiging beschermt en dat de gemeente monitort of die grens wordt gerespecteerd.
‘Eigen inwoners eerst’ is juridisch dus te simpel
De politieke leus ‘eigen inwoners eerst’ kan daardoor verwachtingen oproepen die juridisch niet volledig kunnen worden waargemaakt.
Een gemeente kan bijvoorbeeld niet zonder verdere onderbouwing bepalen dat alle betaalbare nieuwbouwwoningen uitsluitend mogen worden gekocht door mensen die al in die gemeente wonen. Ook een constructie waarbij buitenstaanders theoretisch mogen reageren maar in de praktijk vrijwel nooit aan bod komen, kan juridisch ter discussie worden gesteld.
Gemeenten moeten aantonen welk lokaal probleem zij proberen op te lossen. Schaarste alleen is daarbij niet automatisch voldoende om elke vorm van uitsluiting te rechtvaardigen. De gekozen maatregel moet ook in verhouding staan tot het probleem.
Ook West-Friesland worstelt met voorrang
De discussie speelt eveneens in West-Friesland. In Medemblik is meerdere keren gesproken over het geven van voorrang aan eigen inwoners bij nieuwbouwprojecten.
Een onderzoek van Sweco leidde er in 2025 echter toe dat de West-Friese gemeenten besloten geen bredere regionale huisvestingsverordening in te voeren voor deze vorm van woonruimteverdeling. Volgens een informatienota van de gemeente Medemblik was er op dat moment onvoldoende onderbouwing van nut en noodzaak.
Medemblik koos daarom voor andere mogelijkheden, waaronder afspraken met projectontwikkelaars en woningcorporaties. Dat verschilt juridisch van een publiekrechtelijke regeling waarbij een huisvestingsvergunning wordt gebruikt om woningzoekenden daadwerkelijk voorrang te geven.
Ook in Hoorn kwam lokale voorrang ter sprake. Een motie om bij toekomstige betaalbare en middeldure woningbouw structureel prioriteit te geven aan woningzoekenden met aantoonbare binding aan Hoorn, Blokker of Zwaag werd in november 2025 met 27 tegen 7 stemmen verworpen.
Voorstanders wijzen op leefbaarheid dorpen
Voorstanders van lokale voorrang wijzen vooral op de positie van starters. In kleine gemeenten en dorpskernen kunnen jongeren door hoge huizenprijzen moeilijk een woning vinden in hun geboorteplaats. Wanneer zij noodgedwongen vertrekken, vrezen gemeenten en lokale partijen dat verenigingen, scholen, winkels en andere voorzieningen uiteindelijk minder draagvlak krijgen.
Ook senioren die kleiner willen wonen en gezinnen die dicht bij mantelzorgers willen blijven, worden vaak als argument voor lokale binding genoemd.
De wetgever heeft die belangen erkend. De verruiming van 2024 was juist bedoeld om gemeenten meer mogelijkheden te geven om dergelijke lokale knelpunten op te lossen.
Tegenstanders vrezen gemeentelijke grenzen rond woningmarkt
De keerzijde is dat iedere voorrangspositie automatisch gevolgen heeft voor iemand anders. Een woningzoekende uit Hoorn die naar Medemblik wil verhuizen, kan worden benadeeld wanneer Medemblik eigen inwoners voorrang geeft. Doet Hoorn vervolgens hetzelfde, dan neemt ook voor een inwoner van Medemblik de kans op een woning in Hoorn af.
Wanneer veel gemeenten tegelijkertijd hun maximale ruimte benutten, kan daardoor een woningmarkt ontstaan waarin gemeentegrenzen steeds bepalender worden voor de kansen van woningzoekenden.
Dat was een van de zorgen die al tijdens de behandeling van de wetswijziging naar voren kwam. Ook woningcorporaties en provincies hadden kritiek op een verdere uitbreiding van lokale binding. De Raad van State wees daarbij nadrukkelijk op de positie van woningzoekenden die door dergelijke regels worden benadeeld.
Geen nieuw Europees totaalverbod
Van een nieuw besluit uit Brussel waarmee Nederland de voorrang voor eigen inwoners volledig moet afschaffen, blijkt vooralsnog niet uit de beschikbare openbare Europese en Nederlandse stukken.
De juridische druk zit vooral in de voorwaarden waaronder gemeenten deze voorrang mogen toepassen. Europese jurisprudentie maakt duidelijk dat een absolute lokale toegangseis problematisch kan zijn. De Nederlandse Huisvestingswet probeert binnen die grens te blijven door lokale voorrang te begrenzen en gemeenten te verplichten hun maatregelen te onderbouwen.
Daarmee bevindt Nederland zich inderdaad op een gevoelig juridisch terrein: gemeenten mogen lokale woningzoekenden een steun in de rug geven, maar kunnen de gemeentegrens niet veranderen in een gesloten hek rond de woningmarkt.
Deel dit artikel:











